Wanneer bevriezen dissociatie is & de link met angst en paniek
Er zijn momenten waarop het zenuwstelsel niet meer kan vechten of vluchten. Dan schakelt het over op bevriezen een oeroud overlevingsmechanisme. En soms gaat dat bevriezen heel diep. Je bent dan niet meer echt in je lijf aanwezig. Alsof alles wat er gebeurt ver weg is, of alsof je van buitenaf naar jezelf kijkt.

Een bekend voorbeeld uit de natuur laat zien waarom dit gebeurt. Denk aan een zebra die in de bek van een leeuw ligt. Op dat moment heeft het dier geen kans meer om te vechten of te vluchten. Het enige wat het systeem nog kan doen, is bevriezen. Dat gebeurt om twee redenen:
- Overlevingskans: door bewegingloos te worden lijkt het dier dood, in de hoop dat de leeuw hem even neerlegt en dat er nog een kans ontstaat om te ontsnappen.
- Bescherming tegen pijn: het lichaam scheidt zich als het ware af van het gevoel, zodat de zebra de wonden niet hoeft te voelen. In dat geval helpt het bevriezen om de pijn niet te hoeven ervaren, of om een zachte overgang naar de dood te krijgen.
Bij mensen werkt dit mechanisme precies hetzelfde. Als iets te groot is om te verwerken of dat nu een acute gebeurtenis is of een langdurige, sluimerende spanning dan kan ons zenuwstelsel ons losmaken van wat er te veel is om te voelen. Onderzoek laat zien dat ons brein dan in de delta-staat komt: een hersenactiviteit die normaal alleen voorkomt in diepe slaap. In die toestand vertraagt alles. Je voelt minder, denkt trager, en je systeem “vertrekt” uit het lijf om niet te hoeven ervaren wat te pijnlijk is.
Dat kan zich uiten in momenten waarop je “weg” bent, verdoofd, of niet goed meer kunt reageren. Soms merk je het pas achteraf, als je weer terugkomt in je lichaam en denkt: waar was ik eigenlijk?
Dat kan zich op allerlei manieren laten zien:
Soms hoor je niet meer wat de ander zegt, omdat er in je hoofd een ander “programma” draait je bent er met je aandacht niet bij, ook al lijkt dat van buitenaf wel zo. Of je merkt het thuis met je kinderen. Kinderen vragen vaak herhaaldelijk om iets, ongegeneerd en zonder geduld. Als jij al vijf keer niet hebt gereageerd omdat je hoofd even “uit” staat, word je er op dat moment pijnlijk aan herinnerd dat je er niet echt bent.
Ook op het werk kan het gebeuren: je zit in een gesprek, maar merkt dat je nog helemaal bezig bent met een situatie van daarvoor. Je luistert niet echt, omdat je zenuwstelsel nog in de overlevingsstand staat. Dat is óók een vorm van dissociatie een teken dat je getriggerd bent en niet in het hier en nu aanwezig bent.
De diepere laag hieronder raakt aan wat Peter Levine beschrijft: trauma is elke onopgeloste emotie die vastzit in het lichaam.
Dat betekent dat trauma niet alleen gaat over grote, levensbedreigende gebeurtenissen, maar ook over momenten waarop je systeem iets niet heeft kunnen afronden. Elke keer dat je iets niet kon uiten, bewegen of verwerken, blijft een deel van die lading in je lichaam achter. Het zenuwstelsel herkent dat als “onveilig” en zet het bevriezen in om verdere overprikkeling te voorkomen.
In die zin is trauma niet alleen een herinnering in je hoofd, maar vooral een blokkade in je lijf. Een vastgezette beweging, een ingehouden traan, een niet-genomen adem.
De diepe onderstroom van bevriezen is dus eigenlijk: er is nog iets wat niet heeft mogen stromen. Wanneer je bevroren bent, is het niet dat je systeem stuk is, het is te vol, te verzadigd met wat nog niet verteerd kon worden. Het lichaam zegt: “Even niet meer voelen, dit is te veel.” En dat is logisch. Want ooit heeft dat je gered. Je hebt het ergens heel erg nodig gehad waardoor dit systeem zich heeft geactiveerd.
Wanneer deze toestand regelmatig terugkomt, merk je vaak dat alleen ergotherapie niet voldoende is. In dat geval raad ik aan om samen in gesprek te gaan om te kijken wie we zouden kunnen inzetten, en met welke achtergrond, zodat we ook de diepere reden kunnen begrijpen waarom jouw zenuwstelsel hier vaker in terechtkomt. Soms vraagt herstel om samenwerking omdat jouw systeem niet alleen praktische ondersteuning nodig heeft, maar ook ruimte voor de lagen eronder.
Soms kan deze toestand ook leiden tot een paniekaanval
Vooral wanneer je sterk de behoefte hebt aan controle, kan het heel beangstigend zijn om te merken dat je je lichaam niet meer voelt. Het besef dat je “weg” bent, terwijl je er met je hoofd nog wel bij bent, kan een golf van angst oproepen. In feite schrik je dan niet alleen van de situatie, maar ook van je eigen beschermingsmechanisme. Je zenuwstelsel probeert je te helpen door te ontkoppelen, maar jouw bewuste brein ervaart dat als verlies van controle.
Dit kan zich uiten in hyperventilatie en dat hoeft niet altijd die zichtbare, diepe ademhaling te zijn die je misschien uit filmpjes kent. Vaak gaat het om een subtiele, verkeerde manier van ademen: iets te hoog, iets te snel, of met te weinig volledige uitademing. Daardoor raakt de balans tussen zuurstof (O₂) en koolstofdioxide (CO₂) verstoord. In de meeste gevallen daalt het CO₂-gehalte in het bloed, wat leidt tot duizeligheid, tintelingen, hartkloppingen of een benauwd gevoel. Dat versterkt de paniek, omdat je lichaam het ervaart alsof er iets misgaat, terwijl het in feite een ademhalingsreactie is op spanning.
Sommige mensen merken het niet eens, de adem lijkt rustig, maar is net te oppervlakkig om het systeem te kalmeren. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel: de spanning beïnvloedt de adem, en de adem bevestigt de spanning. Soms kan dit zo intens voelen dat je denkt dat je doodgaat. Je zal niet de eerste zijn bij wie de ambulance op de stoep staat, overtuigd dat het lichaam ermee stopt, terwijl het eigenlijk het zenuwstelsel is dat probeert te schakelen tussen overspanning en ontlading.
Daarom is het herkennen van deze staat zo belangrijk. Op korte termijn kan het helpen om iets te doen wat het zenuwstelsel direct tot rust brengt: zingen, neuriën, diep in- en vooral lang uitademen. Zo activeer je de ventrale tak van de nervus vagus, die veiligheid en kalmte helpt herstellen.
Maar op de langere termijn is het nodig om te onderzoeken waarom deze paniekaanvallen ontstaan. Wat probeert je lichaam je te vertellen? Welke emoties worden nog vastgehouden, of durven niet helemaal doorvoeld te worden? Welke beschermingsmechanismen zijn ooit ontstaan om je veilig te houden en waarvoor beschermen ze je nog steeds?
Door deze lagen te onderzoeken, leer je de taal van je lichaam begrijpen. Want zolang dat niet gebeurt, blijft deze toestand sluimerend aanwezig. Dus doe jezelf een gunst, en kijk met nieuwsgierigheid en mildheid naar wat er onder ligt.
Je lichaam is niet tegen je, het wil je iets laten zien: waar er nog iets mag ontspannen, loslaten, en weer tot leven komen.
Bronnen
- Levine, P. A. (1997). Waking the Tiger: Healing Trauma. North Atlantic Books. Grondlegger van het idee dat trauma in het lichaam wordt opgeslagen als onvoltooide overlevingsenergie. Zijn werk vormt de basis voor de uitspraak: “Trauma is elke onopgeloste emotie in het lichaam.”
- Porges, S. W. (2011). The Polyvagal Theory: Neurophysiological Foundations of Emotions, Attachment, Communication, and Self-Regulation. W. W. Norton & Company. Beschrijft de werking van de nervus vagus en hoe het autonome zenuwstelsel schakelt tussen vechten, vluchten en bevriezen als overlevingsreactie.
- Van der Kolk, B. A. (2014). The Body Keeps the Score: Brain, Mind, and Body in the Healing of Trauma. Viking. Onderbouwt wetenschappelijk dat trauma niet alleen in het brein, maar ook in het lichaam wordt vastgehouden en dat herstel begint met het herstellen van lichaamsbewustzijn.